Kun je verdriet in een model vatten?
Iedereen rouwt anders.
Het is een uitspraak die je waarschijnlijk al vaker hebt gehoord. Misschien klinkt ze ondertussen zelfs wat vanzelfsprekend. Toch schuilt er een belangrijke waarheid achter.
De Amerikaanse rouwpsycholoog William Worden gebruikt daarvoor een mooi beeld. Ook Manu Keirse nam dit beeld over en maakte het in Vlaanderen bij een breed publiek bekend. Zij vergelijken een rouwproces met een vingerafdruk.
Geen twee vingerafdrukken zijn hetzelfde.
En ook geen twee rouwprocessen.
Zelfs wanneer mensen hetzelfde verlies meemaken, zal hun verdriet een andere vorm aannemen. Ze voelen andere emoties, stellen andere vragen, zoeken andere manieren om met het verlies om te gaan en hebben een ander tempo nodig. Dat blijkt telkens opnieuw uit onderzoek én uit de dagelijkse praktijk van mensen die rouwenden begeleiden.
Toch blijven we als mens zoeken naar patronen.
Dat is niet vreemd. Structuur helpt ons om de wereld beter te begrijpen. Ze geeft houvast wanneer alles onzeker aanvoelt. We zoeken naar gelijkenissen en verschillen. We proberen orde te brengen in iets wat op het eerste gezicht chaotisch lijkt.
Zo ontstaan theoretische modellen.
Ook binnen de rouwzorg bestaan verschillende modellen. Sommige bouwen voort op elkaar, andere leggen andere accenten. Ze proberen niet om verdriet in een vakje te stoppen, maar om woorden te geven aan iets wat vaak moeilijk te begrijpen is.
Waarom zijn theoretische modellen belangrijk?
Een theoretisch model is geen handleiding voor hoe iemand hoort te rouwen. Het is eerder een kaart. Een kaart helpt je om de omgeving beter te begrijpen, maar vertelt nooit precies hoe jouw wandeling zal verlopen.
Voor hulpverleners bieden rouwmodellen een gemeenschappelijke taal. Ze helpen om beter te begrijpen waar iemand mogelijk mee worstelt, welke vragen leven en welke ondersteuning helpend kan zijn. Ze bieden richting, zonder de unieke ervaring van de rouwende uit het oog te verliezen.
Ook voor rouwenden zelf kunnen modellen een grote opluchting zijn.
Tijdens een begeleiding leg ik soms een bepaald model uit. Dat noemen we psycho-educatie. Veel mensen ervaren daardoor meer rust. Ze ontdekken dat hun gedachten, gevoelens of lichamelijke reacties niet vreemd zijn, maar vaak voorkomen bij mensen die een ingrijpend verlies meemaken.
"Oef... ik ben niet gek."
"Blijkbaar ben ik niet de enige die dit zo ervaart."
Dat soort uitspraken hoor ik regelmatig. Niet omdat iedereen hetzelfde meemaakt, maar omdat herkenning ruimte kan geven. Een model kan woorden geven aan iets waarvoor je zelf nog geen taal had gevonden.
Ook ouders, leerkrachten, vrienden of familieleden gaan vaak op zoek naar informatie. Ze willen begrijpen hoe ze iemand kunnen ondersteunen. Dat vind ik een mooie reflex. Tegelijk is het niet altijd eenvoudig om betrouwbare informatie te vinden. Er bestaan veel boeken, artikels en websites, maar de kwaliteit ervan verschilt sterk. Daarom is het zinvol om je te laten begeleiden door een professional of om te kiezen voor betrouwbare bronnen.
Wanneer worden modellen minder helpend?
Een model verliest zijn kracht wanneer het een meetlat wordt.
Wanneer iemand denkt dat hij "verder zou moeten staan".
Wanneer de omgeving verwacht dat bepaald gedrag in een bepaalde fase hoort.
Wanneer iemand zich afvraagt waarom hij zich niet herkent in wat hij leest.
Dan doet een model precies het tegenovergestelde van waarvoor het bedoeld was.
Een theoretisch model zou erkenning moeten geven, geen onzekerheid.
Een tweede valkuil is dat mensen theorie gaan gebruiken om advies te geven.
"Volgens dat model zou je nu..."
"Je moet proberen om..."
"Dat is een normale fase, dat gaat wel over."
Vaak zijn zulke uitspraken goed bedoeld. Toch sluiten ze niet altijd aan bij wat de ander op dat moment nodig heeft. Rouwen is immers geen stappenplan dat iedereen op dezelfde manier doorloopt. Wat voor de ene helpend is, kan voor iemand anders helemaal niet passen.
De theorie gebruiken om écht te luisteren is iets anders dan de theorie gebruiken om iemand uit te leggen hoe hij zou moeten rouwen.
Wat doen we dan met al die modellen?
We hoeven ze niet weg te gooien.
Integendeel.
Ik geloof dat theoretische modellen heel waardevol kunnen zijn. Ze helpen ons om stil te staan bij wat rouw met mensen kan doen. Ze geven woorden aan ervaringen die soms moeilijk te beschrijven zijn. Ze kunnen hoop geven, herkenning bieden en een gesprek openen.
Maar ze mogen nooit belangrijker worden dan de mens die voor ons zit.
Daarom vind ik dat een model altijd in je achterhoofd mag zitten, maar nooit vóór je ogen.
Belangrijker dan alle theorie die in je hoofd zit, zijn de oren waarmee je luistert.
Want uiteindelijk is luisteren misschien wel het krachtigste wat je iemand in rouw kunt aanbieden.
Niet luisteren om een theorie bevestigd te zien.
Niet luisteren om advies te geven.
Maar luisteren om de ander echt te ontmoeten.
Misschien is dat uiteindelijk ook de mooiste betekenis van de vingerafdruk.
Een vingerafdruk vertelt ons niet hoe verdriet verloopt.
Ze herinnert ons eraan dat elk verdriet uniek is.
En dat iedere mens het verdient om in die eigenheid gezien en gehoord te worden.
Ik neem je graag regelmatig mee langs verschillende rouwmodellen die vandaag gebruikt worden. Niet om te bepalen hoe een rouwproces zou moeten verlopen, maar om samen te ontdekken hoe deze modellen ons kunnen helpen om verdriet beter te begrijpen — met telkens herkenbare voorbeelden uit het dagelijkse leven.